Home
 De organisatie
 Natuur & Milieu
 Publicaties
 Links
 Contact

 

 

NIEUWS


7 februari 2006
Wetenschap

In Elsevier van 28 januari '06 schrijft Syp Wynia in zijn column ‘Wetenschap op bestelling' over zijn twijfels over de echte wetenschappelijke onafhankelijkheid van overheidsadviseurs: “In de wereld van het beleidsonderzoek is het een publiek geheim dat onderzoekers hun wetenschappelijke oor naar het opdrachtgevende ministerie laten hangen”.

Bij het lezen hiervan moest ik denken aan het Koninklijke NIOZ dat zich jarenlang als actievoerder tegen de kokkelvisserij heeft opgesteld, aanvankelijk vooral via de eigen actiegroep ‘Wilde kokkels', maar later ook openlijk o.a. door deelname aan de procedures bij de Raad van State en discussies in de pers.

Nog onlangs nam de woordvoerder van de SP in de Tweede Kamer, mevrouw Van Velzen, de zogenaamde wetenschappelijke gegevens van het NIOZ klakkeloos over in haar streven om de kokkelvissers vooral geen nadeelcompensatie te gunnen. Zo stelde zij in het algemeen overleg van de vaste commissie LNV met minister Veerman op 14 december 2005:

Het was voor de sector meer dan ooit duidelijk dat de kokkelvisserij op de Waddenzee weinig toekomstperspectief bood” en

De Commissie Schadebepaling Kokkelvisserij komt tot de conclusie dat de kokkelbestanden sinds 1998 met 16% zijn afgenomen. De berekeningen van het Nioz laten echter een daling van 68% zien. Die cijfers worden ook in andere wetenschappelijke rapporten genoemd, maar de commissie heeft die niet meegenomen. Hoe heeft dit kunnen gebeuren?”

 

Het antwoord op die vraag heeft de minister niet gegeven, maar het is heel simpel.

 

Wat is er werkelijk aan de hand?

 

Het RIVO voert sinds 1990 in opdracht van het ministerie van LNV jaarlijks surveys uit om het totale kokkelbestand in de gehele Nederlandse Waddenzee te bepalen. Het RIVO publiceert dit direct na de survey in een openbaar rapport. Dit is ook in 2004 gebeurd. (Kesteloo et al, 2004). De bemonstering is op dezelfde wijze als daarvoor uitgevoerd, d.w.z. op 1500 plaatsen in de gehele Waddenzee. Over de betrouwbaarheid van de schatting is positief gerapporteerd door Bult et al (2004).

Het NIOZ richt zich in het kokkelonderzoek op een gedeelte van de Waddenzee, nl. alleen het gebied tussen de Friese kust en Texel/Vlieland. Door de actiegroep Wilde Kokkels is op basis van ongepubliceerde gegevens van het NIOZ een vergelijking gemaakt van het kokkelbestand in 1998 en in 2004. Wilde Kokkels berekende dat de oogstbare hoeveelheid in 2004 68 % lager lag dan in 1998 voor het bemonsterde deelgebied en omdat zij er vanuit gingen dat het onderzoeksgebied representatief was voor de gehele waddenzee, zou het kokkelbestand in totaal met 86% gedaald zijn. Op grond hiervan stelden zij dat het kokkelbestand in 2004 door het RIVO sterk is overschat, en dat de Commissie Schadebepaling Kokkelvisserij zich op onjuiste gegevens zou hebben gebaseerd.

 

Door het Rivo is nagegaan wat de omvang was van het oogstbare kokkelbestand in 1998 en in 2004 voor hetzelfde deelgebied dat het NIOZ heeft bemonsterd. De Rivo gegevens laten voor dat gebied een afname in het bestand zien van 71 % in 2004 t.o.v. 1998. Daaruit blijkt dat de door het NIOZ geconstateerde afname ongeveer overeenstemt met de Rivo gegevens voor dit gebied.

 

Door het RIVO wordt echter het kokkelbestand in de gehéle Nederlandse Waddenzee bemonsterd. Kokkels komen voor in dichte banken en nieuwe banken vestigen zich niet steeds op dezelfde plaats. Dit blijkt uit de vergelijking van het kokkelbestand in het Nioz monstergebied met de overige gebieden. De kokkelstand buiten het NIOZ gebied is véél minder sterk afgenomen, nl. met 12 % i.p.v. 68 % en dat de afname over de Waddenzee als geheel 19 % bedraagt.

 

Zowel de Wilde Kokkels als Prof Piersma hebben –al dan niet bewust- niet de moeite genomen na te gaan of een afname in het NIOZ deelgebied representatief kan worden gesteld voor de gehele Waddenzee, hetgeen dus niet het geval is. Wanneer Wilde Kokkels niet alleen de kaarten voor de Westelijke Waddenzee, maar ook voor de Oostelijke Waddenzee uit de RIVO-rapporten uit 1998 en 2004 hadden bestudeerd, dan was dit direct duidelijk geweest.

 

De werkelijke groei heeft altijd een zekere afwijking van de voorspelling. Dit alles is in EVAII- kader getoetst aan veldgegevens en het model is, waar nodig, aangepast. Met de verbeterde modellen is het kokkelbestand herberekend. Dit levert voor 1998 lagere waarden op dan in de oorspronkelijke berekening en van deze waarden is bij de schadebepaling gebruik gemaakt. De Commissie heeft de meest actuele gegevens gebruikt.

 

Conclusie:

De bezwaren van mevrouw Van Velzen tegen de berekening van de Commissie Schadebepaling Kokkelvisserij zijn gebaseerd op onjuiste beschuldigingen van de Wilde Kokkels en van Prof. Piersma van het Nioz tegen de RIVO bestandschattingen. Het is algemeen bekend dat het kokkelbestand varieert in locaties en tijd en dat gegevens uit deelgebieden meestal niet van toepassing zijn op het hele gebied. Ook het Nioz zou dit moeten weten.

 

Het kokkelbestand schommelt als gevolg van variaties in de broedval, zoals uit onderstaande grafiek blijkt. De visserij, die jaarlijks minder dan 10% aan het bestand heeft onttrokken in de periode dat wel mocht worden gevist, is hierop niet van invloed.

 

Referenties

 

Bult, T. P., Baars, D., Ens, B. J., Kats, R. K. H. & Leopold, M. F. B3: Evaluatie van de meting van het beschikbare voedselaanbod voor vogels die grote schelpdieren eten. RIVO rapport. 2003a.

Kamermans, P., Kesteloo-Hendrikse, J. J. & Baars, D. EVA II deelproject H2: Evaluatie van de geschatte omvang en ligging van kokkelbestanden in de Waddenzee, Ooster- en Westerschelde. RIVO rapport C054/03. 2003b. Yerseke.

Kesteloo JJ, MR van Stralen, VP Breen & JA Craeymeersch, 2004. Het kokkelbestand in de Nederlandse kustwateren in 2004. RIVO rapport C052/04

 



Oudere berichten kunt u lezen in het NIEUWSARCHIEF.